Europa wil meer soldaten, maar kan ze niet opleiden 15 juni 202619 juni 2026 Europese landen proberen met een vrijwillig dienjaar snel meer militair personeel te werven. Dat loopt niet vast op belangstelling, maar op iets anders: de capaciteit om al die mensen op te leiden. In meerdere landen melden zich meer kandidaten dan trainers aankunnen, waardoor de uitbreiding van de krijgsmacht vooral een kwestie van logistiek wordt. Terwijl materieel wordt gekocht en geproduceerd, vormt vooral het opleiden van voldoende militair personeel een uitdaging. In België, Polen en Roemenië zijn vormen van een vrijwillig militair programma ingevoerd. Wie zich aanmeldt voor een programma en de selectie haalt, volgt een basistraining en werkt vervolgens (afhankelijk van het land) enkele maanden tot een jaar bij de krijgsmacht. In de meeste gevallen ontvangen deelnemers een vergoeding die vergelijkbaar is met het salaris van beroepsmilitairen. Na afloop blijven ze in dienst of worden ze aangesteld als reservist. Nederland zet het dienjaar in als oplossing voor het personeelstekort bij Defensie, maar de plannen gaan verder dan wat er op dit moment uitvoerbaar lijkt. De groei naar 100.000 medewerkers in 2030 vraagt niet alleen om meer instroom, maar ook om voldoende opleidingscapaciteit om die te verwerken. Het aantal aanmeldingen en deelnemers wordt vaak als succes gezien, terwijl juist de capaciteit om hen goed op te leiden en te begeleiden al onder druk staat. Het Nederlandse dienjaar Niels Hendriks (20) begon vorig jaar met acht andere rekruten aan het dienjaar. Na afronding van de tienweekse basisopleiding, werd zijn lichting geplaatst bij een eenheid op de Johannes Postkazerne in Havelte. Eenmaal daar aangekomen bleken zijn leidinggevenden niet te weten van hun komst. “Je verwacht dat de personen die jou opvangen, er ook echt zijn om dat te doen. En de personen die jou moeten opvangen, weten dat blijkbaar nog helemaal niet,” vertelt hij. “Er was niks voor ons opgezet, we zijn eigenlijk meegegaan op een rijdende trein.” Ook juridisch gezien was alles nog niet op orde. De Algemeen Christelijke Organisatie van Militairen (ACOM) gaf aan dat het dienjaar werd ingevoerd zonder enig overleg met vakbonden. Daarnaast was de rechtspositie van dienjaar-militairen niet passend bij hun functie, waardoor ze niet voldoende konden worden beschermd. In december 2025 hebben de vakbonden en Defensie een overeenstemming bereikt en is het Algemeen Militair Ambtenaren Reglement aangepast. “Als al die zaken zijn opgelost is het dienjaar wat ons betreft nog steeds geen oplossing voor de grote personele tekorten onder militairen, maar het zal op bepaalde vlakken zeker gaan helpen,” schreef de ACOM. Projectleider Erik Noordam erkent dat het project tijdens de eerste lichtingen gaandeweg vorm kreeg. “De toenmalige staatssecretaris heeft heel hard gedrukt om snel te starten. Hij zat niet te wachten op een gedegen onderzoek of een plan,” vertelt hij. Problemen in de uitvoering zijn inmiddels grotendeels bijgestuurd. “Dit is niet hoe Defensie meestal dingen doet, urgentie en noodzaak spelen daar zeker een rol in.” Het conventioneel sterkste leger van Europa Deze urgentie wordt in heel Europa gevoeld, maar voornamelijk in Duitsland. Bondskanselier Friedrich Merz kondigde tijdens zijn aantreden in 2025 aan dat het land “het conventioneel sterkste leger van Europa” moet krijgen, om Rusland af te schrikken. Daarvoor is flinke opschaling nodig. Na de Koude Oorlog is er sterk bezuinigd op defensie, vanuit het idee dat er geen directe militaire dreiging meer was. In 2011 is de dienstplicht opgeschort, de focus kwam te liggen op een klein, beroepsmatig leger. Na de Russische inval in Oekraïne is dat beeld volledig veranderd. De Duitse Bundeswehr telt momenteel ongeveer 186.000 militairen. Minister van Defensie Boris Pistorius wil dat aantal verhogen naar 260.000 militairen in 2035. Dat betekent dat er nog tienduizenden militairen moeten worden geworven in een relatief korte periode. Merz stelde bij de presentatie van het coalitieakkoord dat Duitsland “de militaire dienst zal versterken, volgens het Zweedse model — in eerste instantie op vrijwillige basis”, aldus Deutsche Welle. Begin dit jaar is er een vrijwillige vorm van militaire dienst ingevoerd. Rekruten dienen minimaal een halfjaar en maximaal 23 maanden. Na die tijd is het mogelijk om voor langere tijd te tekenen. Wie dat niet doet, blijft automatisch als reservist verbonden aan de Bundeswehr. Voorlopig is er dus geen sprake van een dienstplicht, maar dat kan veranderen als er niet genoeg aanmeldingen worden ontvangen. Made in Scandinavia Om aan die aanmeldingen te komen, wordt er in Duitsland sinds begin dit jaar naar alle 18-jarigen een enquête gestuurd. Die is voor mannen verplicht om in te vullen, vrouwen zijn dat niet. Geschikte mannelijke kandidaten krijgen een verplichte medische keuring. In Nederland wordt er ook elk jaar een enquête verstuurd, maar deze is niet verplicht. Het versturen van enquêtes naar jongeren die net achttien zijn of dat binnenkort worden, volgt het Scandinavische model voor de selectieve dienstplicht. Op die manier is het ook met een opkomstplicht mogelijk dat er grotendeels jongeren worden opgeroepen die hebben aangegeven geïnteresseerd te zijn in Defensie. In Zweden en Noorwegen wordt met de selectie niet alleen gestuurd op wie geschikt is, maar ook op hoeveel mensen er daadwerkelijk kunnen worden opgeleid en ingezet. Het aantal beschikbare plekken in opleidingen, kazernes en instructieteams bepaalt daar uiteindelijk hoeveel jongeren er worden opgeroepen. Daarmee wordt de instroom direct afgestemd op de beschikbare capaciteit binnen de krijgsmacht. Capaciteitsgrenzen In Duitsland staan een gebrek aan materieel en trage digitalisering het opleiden van nieuwe militairen in de weg. Zo duurt het vanaf de sollicitatie gemiddeld 112 dagen tot de indiensttreding van een nieuwe soldaat. Daarnaast is er te weinig plek op de kazernes voor het aantal militairen dat Defensie wil opleiden. Er is nu al sprake van de bouw van containers als verblijfplaats voor vrouwelijke militairen, schrijft Correctiv. Een Belgische variant van het vrijwillige dienjaar In België ontving ruim zes keer zoveel aanmeldingen als het aantal beschikbare opleidingsplekken. Geschikte kandidaten worden noodgedwongen geweigerd. Ook in Frankrijk speelt dit probleem. Daar worden kandidaten afgewezen vanwege een gebrek aan budget en materieel. Ook Nederland loopt tegen capaciteitsgrenzen aan volgens Aaron Pot, deelnemer van het dienjaar en inmiddels beroepsmilitair bij de geneeskundige dienst: “De opleiding zit bomvol. We merken een tekort aan mensen die nieuwe soldaten kunnen opleiden of ondersteunen. Er komen nu veel mensen binnen, maar om hen op het juiste niveau te krijgen en goed te begeleiden, is de capaciteit er minder.” Ondertussen worden opleidingen ingekort, zodat nieuwe soldaten sneller kunnen instromen. De basisopleiding heeft acht weken moeten schrappen, en de mbo-opleiding Grondoptreden zelfs zes maanden. Dat gebeurde onder druk van Defensie, schrijf Trouw. Veel van de betrokken onderwijsinstellingen zijn daar niet blij mee, studenten zouden nu onvoldoende voorbereid aan een militaire carrière beginnen. Volgens Defensie leidt dit niet tot kwaliteitsverlies. Volgens projectleider Noordam is het aantal opleiders niet het probleem, het ligt meer aan de afstemming tussen instroom en opleidingscapaciteit. “Mensen moeten solliciteren, door een keuring heen, een veiligheidsonderzoek doorlopen en daarna een opleiding volgen. Die keten duurt gewoon even. Stel dat er opleidingsplekken vrij zijn, dan kom je er vaak te laat achter om die nog op tijd te vullen met nieuwe instroom, omdat kandidaten nog niet zo ver in het proces zitten,” zegt hij. Tegelijkertijd groeit de belangstelling voor het dienjaar verder. “We zien dat de animo blijft doorgroeien. Ik verwacht dat we dit jaar zo’n 6000 sollicitanten zullen hebben.” Achtergrond